Indexberekening

Wat is een luchtkwaliteitsindex?

De dagelijkse kwaliteit van de omgevingslucht kan (sterk vereenvoudigd) via een index weergegeven worden. De index zoals ze hier wordt getoond is gebaseerd op de berekeningsmethode van de IRCEL (Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu). Op vijf stoffen wordt een index berekend: zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), ozon (O3), fijn stof <10μm (PM10) en fijn stof <2,5μm (PM2,5). Vier van deze stoffen (SO2, NO2, O3 en PM10) worden de klassieke stoffen genoemd. PM2,5 is een deelverzameling van PM10 daar alle fijn stof kleiner dan 2,5μm ook kleiner is dan 10μm

Hoe berekenen we een luchtkwaliteitsindex per verontreinigende stof?

Per verontreinigende stof wordt een "sub"-index berekend die voor elke stof apart aangeeft in welke mate de buitenlucht verontreinigd is met deze stof. De subindex is gebaseerd op de gemeten concentratie of de hoeveelheid van de verontreinigende stof aanwezig in de omgevingslucht.
Deze concentraties verschillen van stof tot stof en daarom wordt voor elk van de vier polluenten (stoffen) telkens een andere subindex vastgelegd. De subindex gaat van 1 tot 10 waarbij 1 een uitstekende luchtkwaliteit voorstelt en 10 een zeer slechte. De gebruikte concentratieschalen gaan uit van de grenswaarden vastgelegd in de nieuwe Europese richtlijnen over de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (Zie tabel 1). (1μg = 1 microgram = 10-6g = 0,000001 g)

Tabel 1: subindex onderverdeling met grenswaarden
Beoordeling SO2
daggemiddelde
(µg/m3)
NO2
maximum uurgemiddelde
(µg/m3)
O3
maximum 8-uurgemiddelde
(µg/m3)
PM10 stof 
daggemiddelde
(µg/m3)
PM2,5 stof 
daggemiddelde
(µg/m3)
0 - geen gegevens N/A N/A N/A N/A N/A
1 - uitstekend 0 - 15 0 - 25 0 - 30 0 - 10 0 - 5
2 - zeer goed 16 - 30 26 - 45 31 - 45 11 - 20 5 - 10
3 - goed 31 - 45 46 - 60 46 - 60 21 - 30 10 - 15
4 - vrij goed 46 - 60 61 - 80 61 - 80 31 - 40 15 - 20
5 - gewoon 61 - 80 81 - 110 81 - 100 41 - 50 20 - 30
6 - middelmatig 81 - 100 111 - 150 101 - 120 51 - 70 30 - 40
7 - ondermaats 101 - 125 151 - 200 121 - 150 71 - 100 40 - 50
8 - slecht 126 - 165 201 - 270 151 - 200 101 - 150 50 - 60
9 - zeer slecht 166 - 250 271 - 400 201 - 270 151 - 200 60 - 70
10 - uiterst slecht >250 >400 >270 >200 >70

Waarvoor dient de globale luchtkwaliteitsindex?

De situatie per regio wordt bepaald aan de hand van de globale index. Dit zijn berekeningen op meetgegevens over een groot gebied en kunnen dus afwijken van locale gegevens.

Hoe berekenen we een globale luchtkwaliteitsindex voor een meetstation?

Wanneer de subindexen van zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), ozon (O3) en fijn stof < 10μm (PM10) in een meetstation gekend zijn, dan kan er aan dat meetstation een globale index gegeven worden. Deze globale index is dan de hoogste subindex (de slechtste kwaliteit) van de vier betrokken verontreinigende stoffen voor dat meetstation.

Voorbeeld:

een meetstation heeft als subindex
  • 4 voor SO2
  • 3 voor NO2
  • 7 voor O3
  • 5 voor PM10

De globale index voor het meetstation is 7, omdat O3 in dit voorbeeld de hoogste subindex heeft.

Opgelet:

De index is een kwalitatieve populariserende beoordeling van de kwaliteit van de omgevingslucht en bezit als dusdanig niet veel wetenschappelijke waarde.
Rapporten, studies en andere wetenschappelijke interpretaties van de luchtkwaliteit baseren zich niet op de luchtkwaliteitindex maar wel op de meetresultaten zelf.

Worden er nog andere stoffen gemeten?

Buiten de vier klassieke stoffen die nodig zijn om de globale index te bepalen, worden er nog andere stoffen gemeten. Deze polluenten zijn o.a. stikstofoxide (NO), koolstofmonoxide (CO), fijn stof < 2,5μm (PM2,5), zwarte koolstof (BC) en BTEX (benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xyleen). Zij worden niet mee opgenomen in de berekening van de index, maar hebben echter wel hun belang bij het interpreteren van de algemene luchtkwaliteit.