Smog

Actuele situatie

Momenteel is er geen smogalarm.

Zomer- of wintersmog?

Zomersmog, ook wel fotochemische verontreiniging genaamd, treedt op wanneer er op warme en zonnige dagen te veel ozon in de lucht hangt.
Wintersmog bevat geen ozon maar ontstaat als stoffen afkomstig van verkeer en industrie (fijn stof, roet, stikstofoxiden en zwaveloxiden) blijven hangen tijdens de winterperiode.

Zomersmog

Zomersmog bestaat uit een mengsel van gassen. De belangrijkste zijn stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische componenten (VOC) en ozon (O3). De stoffen die de zomersmog veroorzaken komen vrij bij de verbranding van brandstoffen door de industrie en het verkeer. Een tweede belangrijke bron is de verdamping van oplosmiddelen. Als op de uitgestoten stikstofoxiden en de vluchtige organische componenten overdag fel zonlicht schijnt, wordt uit die stoffen door een chemische reactie ozon gevormd. Dit proces neemt enige uren in beslag. Daardoor is de concentratie ozon het hoogst tussen ongeveer 12 uur 's middags en 20 uur 's avonds. Ozon is een irriterend gas met een sterke invloed op de gezondheid, vooral voor mensen met ademhalingsproblemen, kinderen en oudere mensen. Tijdens een ozonepisode (zomersmog) dienen zij dan ook inspanningen in de buitenlucht te vermijden tussen 12 en 20 uur. Ozonconcentraties zijn binnenshuis gemiddeld de helft lager dan in de buitenlucht.
Ozon veroorzaakt ook schade aan gewassen en kan ook de verwering van materialen veroorzaken.

Een uurgemiddelde concentratie van 180μg/m3 (index 8) is de Europese waarschuwingsdrempel voor de bevolking. Wanneer men deze hoge concentraties verwacht, wordt de bevolking ingelicht via de pers en geeft men de raad om geen zware inspanningen buitenshuis te leveren tussen 12 en 20 uur. Ozonconcentraties zijn binnenshuis gemiddeld de helft lager dan in de buitenlucht.
Vanaf een uurgemiddelde concentratie van meer dan 240μg/m3 overschrijdt men de alarmdrempel.

Actuele meetwaarden ozon (O3)

Wintersmog

Wintersmog is een mengsel van verschillende chemische verbindingen. De belangrijkste bestanddelen zijn stikstofdioxide (NO2), zwaveldioxide (SO2) en fijn stof (PM10, PM2,5, roet). SO2 ontstaat vooral bij het verbranden van zwavelhoudende brandstoffen, wat vooral gebeurt in industriegebieden. De belangrijkste primaire bronnen van stof zijn het verkeer , de land- en tuinbouw, resuspensie (heropwaaien van stof) en de industrie. Stikstofoxiden ontstaan in het verkeer, de industrie en de gebouwenverwarming bij hoge verbrandingstemperaturen door oxidatie van stikstof in de lucht. Bepaalde weersomstandigheden zorgen ervoor dat de luchtverontreiniging zich niet goed kan verspreiden. In de winter is er vaak temperatuursinversie (= de onderste luchtlagen zijn kouder dan de bovenliggende; bij normale omstandigheden is dit omgekeerd en daalt de temperatuur naarmate je in hogere luchtlagen komt) waardoor de luchtverontreiniging als het ware "gevangen" zit in de onderste luchtlaag en de verontreiniging zich opstapelt. Tijdens een periode van wintersmog kunnen er nadelige effecten op de gezondheid voorkomen. Bij de risicogroepen kunnen de volgende effecten optreden: een toename van luchtwegenklachten en hartklachten.

Wanneer men gedurende 2 opeenvolgende dagen gemiddeld over Vlaanderen een PM10-concentratie van meer dan 70μg/m3 voorspelt, dan treden er maatregelen in werking. De bevolking wordt ge´nformeerd en een snelheidsbeperking van 90 km/u wordt op bepaalde autosnelwegen - deze in dichtbevolkt gebied - van kracht. Er bestaat geen Europese waarschuwings- of alarmdrempel voor fijn stof.

Actuele meetwaarden fijn stof (PM10)